Is de Raad niet van oordeel dat de buitenlandse schuld en de aflossing van deze schuld voor de minst ontwikkelde landen een enorme last betekent, die hun ontwikkeling onder druk zet en er bovendien al toe heeft geleid dat aanzienlijke middelen besteed moeten worden voor de aflossing van de schuld, en dat deze schuld bijgevolg kwijtgescholden moet worden?
Does the Council not believe that the external debt and debt servicing of the least developed countries represents an enormous constraint on their development, which has already obliged them to dedicate a large proportion of their resources to servicing a dent which should, surely, now be written off?