Het van het gemeen recht afwijkende karakter van de rechtspleging voor de jeugdgerechten wordt, volgens de parlementaire voorbereiding van de wet van 5 mei 1912, verantwoord doordat de wetgever het repressief en intimiderend karakter van een kamer met drie rechters heeft willen verminderen en een minder afstandelijke relatie mogelijk heeft willen maken tussen de minderjarige en de rechter.
Le caractère dérogatoire au droit commun de la procédure devant les juridictions de la jeunesse est justifié, selon les travaux préparatoires de la loi du 15 mai 1912, en ce que le législateur a entendu amenuiser le caractère répressif et intimidant d'une chambre à trois juges et permettre une relation moins distante entre le mineur et le juge.