Het grootste bezwaar tegen de huidige gang van zaken bestaat in het feit dat de rechtsonderhorige en zijn raadsman, juist in strafzaken en niet in burgerlijke zaken, geconfronteerd worden met een beroeps- of cassatietermijn van amper vijftien respectievelijk zestien dagen te rekenen vanaf de dag waarop het vonnis of arrest ter zitting werd voorgelezen.
L'objection principale que soulève la procédure actuelle — précisément pour les affaires pénales, et non pour les affaires civiles — réside dans le fait que le justiciable et son conseil doivent respecter un délai d'appel ou de cassation d'à peine quinze ou seize jours selon le cas, délai qui prend cours le jour où le jugement ou l'arrêt est lu en audience publique.