1. Zowel de beoordeling van hoe de minderja
rige naargelang van zijn leeftijd en maturiteit bij de uitoefening van zijn
rechten kan worden «betrokken», als de beoordeling van diens capaciteit om zijn rechten «zelfstand
ig» uit te oefenen, behoort tot de
bevoegdheid van de beroepsbeoefenaar (cf. met name, Parl. St., Kamer, nr. 1642/012, 2001-2002, blz. 95: «De beroepsbeoef
...[+++]enaar zal moeten oordelen over de graad van ontwikkeling van zijn jonge patiënt»).
1. Tant l'appréciation de la manière dont le mineur peut être «associé» à l'exercice de ses droits en fonction de son âge et de sa maturité que l'appréciation de la capacité du mineur à exercer «seul» ses droits relève du praticien professionnel (cf. notamment Doc. parl., Chambre, n° 1642/012, 2001-2002, p. 95: «Il appartient au praticien lui-même de juger de la maturité de l'enfant»).