Art. 7. De boordcommandant onderneemt geen vlucht alvorens zich met alle gewone middelen waarover hij beschikt te hebben vergewist van de toereikendheid van de terreinen en de beschikbare installaties en diensten op de grond die onmiddellijk noodzakelijk zijn voor deze vlucht en voor de veiligheid van het vliegtuig, met inbegrip van de telecommunicatiemiddelen en van de navigatiehulpmiddelen.
Art. 7. Le pilote commandant de bord n'entreprend pas de vol avant de s'être assuré par tous les moyens ordinaires dont il dispose que les aires et les installations et services à la surface disponibles et directement nécessaires à ce vol et à la sécurité de l'avion sont satisfaisants, y compris les moyens de télécommunication et les aides de navigation.