Enerzijds (eerste drie onderdelen van de vraag), hebben zij betrekking op de verenigbaarheid van artikel 2bis, § 1, van de wet van 24 februari 1921 met het gelijkheidsbeginsel, in zoverre het de verschillende gedragingen bedoeld in de wet en in het besluit op ongedifferentieerde wijze bestraft zonder een onderscheid te maken naargelang de beklaagde ze aanwendt met het oog op zijn persoonlijke consumptie of met de bedoeling ze door te verkopen, het cannabis niet onderscheidt van de andere in artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 december 1930 bedo
elde stoffen en het cannabis strafbaar stelt zonder dat te doen ten aanzien van andere
...[+++]stoffen die eveneens schadelijk zijn of afhankelijkheid veroorzaken.
D'une part (trois premières branches de la question), elles portent sur la compatibilité avec le principe d'égalité de l'article 2bis, § 1, de la loi du 24 février 1921 en ce qu'il sanctionne de façon indifférenciée les différents comportements que la loi et l'arrêté visent sans distinguer selon que le prévenu y a recours en vue de sa seule consommation ou dans un but de revente, ne distingue pas le cannabis des autres substances visées à l'article 1 de l'arrêté royal du 31 décembre 1930 et pénalise le cannabis sans le faire à l'égard d'autres substances également nocives ou génératrices de dépendance.