Het Gerecht oordeelt in zijn arrest (34) dat de Commissie niet voldoende heeft gemotiveerd waarom de reclame-inkomsten 1995-1996 zouden moeten worden aangemerkt als staatsmiddelen.
Dans son arrêt (34), le Tribunal estime à cet égard que la Commission n’a pas fourni les preuves permettant d’affirmer que les recettes publicitaires de 1995 et 1996 doivent être considérées comme des ressources d’État.