Trouwens, artikel 14.3. g), van het verdrag volgens hetwelk « bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging een ieder her recht heeft om niet te worden gedwongen tegen zichzelf te getuigen of een bekenteni
s af te leggen » is enkel een bevestiging van een algemeen rechtsbeginsel dat als dusdanig door de Belgische wetgever bij de voorbereiding van de wet van 3 mei 1880 is erkend en geldt zowel in het kader van een parlementair onderzoek als bij een strafrechtelijk onderzoek, te weten dat niemand gedwongen kan worden om verklaringen af te leggen waardoor hij zich zou kunnen blootstellen aan str
afvervolgi ...[+++]ng of aan strafrechtelijke veroordeling.
En énonçant que la personne accusée d'une infraction pénale a le droit de ne pas être forcée de témoigner contre elle-même ou de s'accuser coupable, l'article 14.3. g), du Pacte ne fait que consacrer un principe général du droit reconnu comme tel par le législateur belge au cours des travaux préparatoires de la loi du 3 mai 1880, applicable aussi bien dans le cadre d'une enquête parlementaire que dans le cadre d'une instruction pénale, à savoir qu'aucune personne ne peut être forcée de faire des déclarations pouvant l'exposer à des poursuites ou à des condamnations pénales.