Art. 3. Onverminderd de bepalingen die een afwijkende regeling toelaten, is het aandeel van 10,27 pct. inbegrepen in de bijdrage bedoeld in artikel 38, § 3, 8°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, jaarlijks verschuldigd op 31 maart van het jaar volgend op het vakantiedienstjaar en wordt aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid gestort uiterlijk op 30 april van hetzelfde jaar.
Art. 3. Sans préjudice des dispositions autorisant un règlement dérogatoire, la part de 10,27 p.c. comprise dans la cotisation visée à l'article 38, § 3, 8° de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, est due annuellement le 31 mars de l'année qui suit l'exercice de vacances et est versée à l'Office national de sécurité sociale au plus tard le 30 avril de la même année.