Art. 13. § 1. Prebasismoederplanten en prebasismateriaal mogen uitsluitend worden geteeld in grond die vrij is van alle plaagorganismen voor het geslacht of de soort in kwestie, vermeld in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd, die virussen bij zich dragen die voor dat geslacht of die soort schadelijk zijn.
Art. 13. § 1. Les plantes mères initiales et les matériels initiaux ne peuvent être cultivés que dans un sol exempt de tout organisme nuisible figurant à l'annexe 3 au présent arrêté pour le genre ou l'espèce concerné et qui héberge des virus contaminant ce genre ou cette espèce.