De in het geding zijnde bepalingen verbieden de rechter, bij wie het openbaar min
isterie vorderingen heeft ingesteld ten aanzien van een jongere die als misdrijf omschreven feiten heeft gepleegd, niet om op grond van artikel 37, § 2, 2°, een toezichtsmaatregel te bevelen die gepaard gaat met een of meer van de in die bepaling opgesomde v
oorwaarden, waarbij tegelijk de op grond van artikel 36, 2°, genomen plaats
ingsmaatregel wordt bevestigd of verlengd, tenein ...[+++]de de jongere in « zijn milieu » te laten.
Les dispositions en cause n'interdisent pas au juge, saisi des réquisitions du ministère public à l'égard d'un mineur qui a commis des faits qualifiés infractions, d'ordonner, sur la base de l'article 37, § 2, 2°, une mesure de surveillance, assortie d'une ou de plusieurs des conditions énumérées par cette disposition, tout en confirmant ou prolongeant la mesure de placement prise sur la base de l'article 36, 2°, afin de maintenir le jeune dans « son milieu ».