3. De onderdanen van elk van beide Staten die op het grondgebied van de andere Staat verblijven uit hoofde van het werkvakantieprogramma mogen hun verblijf niet verlengen na de toegestane periode van verblijf en mogen de aard van de activiteit die ze tijdens hun verblijf verrichten, niet wijzigen.
3. Les ressortissants de chacun des deux États qui séjournent sur le territoire de l'autre État au titre du programme Vacances-travail ne peuvent prolonger leur séjour au-delà de la période de séjour autorisée, ni changer le statut de leur activité durant ce séjour.