Het Hof merkt echter op dat de lidstaten zowel voor individuele artiesten als voor andere dan publiekrechtelijke culturele groepen de vrijstellingen afhankelijk kunnen stellen van één of meer voorwaarden, te weten niet systematisch het maken van winst beogen en organisatie van de betrokken culturele diensten in hoofdzaak op vrijwillige basis en zonder vergoeding.
Toutefois, la Cour relève que les États membres, pour les artistes individuels comme pour les groupes culturels autres que de droit public peuvent subordonner les exonérations à une ou plusieurs conditions, notamment à l'absence de recherche systématique de profit et au caractère essentiellement bénévole de l'organisation des prestations culturelles en cause.