Szpunar leidt daaruit af dat de richtlijn een lidstaat niet de bevoegdheid geeft een algemeen toepasselijke maatregel vast te stellen als die welke in de onderhavige zaak aan de orde is (dat wil zeggen een maatregel op grond waarvan de vrijstelling van de visumplicht wordt geweigerd aan familieleden van een burger van de Unie die in het bezit zijn van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfskaart), aangezien die maatregel preventief is en niet is gebaseerd op de voorafgaande vaststelling van een concreet geval van rechtsmisbruik.
M. Szpunar en conclut que la directive ne permet pas à un État membre d’adopter une mesure d’application générale telle que celle en cause en l’espèce (c’est-à-dire une mesure qui consiste à refuser une dispense de visa aux membres de la famille d’un citoyen de l’Union, titulaires d’une carte de séjour valide délivrée par un autre État membre), dès lors que cette mesure est d’ordre préventif et ne repose pas sur la constatation préalable d’un abus de droit concret.