De vraag luidde daarbij of de leden van het Executief die een collectief voorzitterschap hadden opgericht, op basis van het reglement van Inwendige Orde als voorzitter een dergelijke werkwijze konden vooropstellen en of zij de titel van voorzitter konden voeren.
La question se posait de savoir si les membres de l'Exécutif qui avaient institué une présidence collective pouvaient, sur la base du règlement d'ordre intérieur, concevoir un tel procédé et s'ils pouvaient porter le titre de président.