Er kan immers worden aangenomen dat het voorleggen van een document om zijn identiteit te bewijzen niet wordt vereist van een vreemdeling die de subsidiaire bescherming aanvraagt, ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in paragraaf 2 van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen.
En effet, il peut être admis que la production d'un document en vue de prouver son identité ne soit pas exigée de la part d'un étranger qui demande la protection subsidiaire à l'égard duquel il y a de sérieux motifs de croire que, s'il était renvoyé dans son pays d'origine, il encourrait un risque réel de subir les atteintes graves visées au paragraphe 2 de l'article 48/4 de la loi relative aux étrangers, et qui ne peut pas ou, compte tenu de ce risque, n'est pas disposé à se prévaloir de la protection de ce pays.