In een derde onderdeel van het middel wordt aan artikel 7 van de wet van 28 maart 2000 verweten dat het niets zegt over de situatie van de beklaagde die voorwaardelijk in vrijheid is gebleven, terwijl het erin voorziet dat de in hechtenis gehouden beklaagde opnieuw in vrijheid wordt gesteld, wanneer het vonnis niet wordt geveld binnen zeven dagen na de uitvaardiging van het bevel tot aanhouding door de onderzoeksrechter.
Dans une troisième branche du moyen, il est reproché à l'article 7 de la loi du 28 mars 2000 de passer sous silence la situation du prévenu resté en liberté sous conditions, tandis qu'il prévoit la remise en liberté du prévenu détenu lorsque le jugement n'est pas intervenu dans les sept jours de la délivrance du mandat d'arrêt par le juge d'instruction.