Het laatste lid van artikel 3, dat ertoe strekt de belastingschuldige die met schending van de Overeenkomst belastingen heeft betaald de moratoire interesten te ontnemen die de Staat overeenkomstig artikel 418 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen verschuldigd is, moet vervallen : de Raad van State ziet geen reden om aldus van het gemeen recht af te wijken. Doordat voor die afwijking van artikel 418 geen reden wordt opgegeven, zou ze door het Arbitragehof strijdig kunnen worden geacht met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.
Le dernier alinéa de l'article 3, qui tend à priver le redevable des impôts payés en violation de la Convention des intérêts moratoires dus par l'État conformément à l'article 418 du Code des impôts sur les revenus doit être omis : le Conseil d'État n'aperçoit pas de justification, la Cour d'arbitrage pourrait considérer que cette dérogation à l'article 418 est contraire au principe constitutionnel d'égalité.