Artikel 24, eerste lid, van de wet van 20 juli 1990 luidt als volgt : « Na zes maanden vrijheidsbeneming indien het maximum van de van toepassing zijnde straf vijftien jaar opsluiting niet te boven gaat, of na een jaar in het andere geval, kan de verdachte bij zijn verschijning voor de raadkamer of voor de kamer van inbeschuldigingstelling met toepassing van de artikelen 22, 25 of 30, vragen om in openbare terechtzitting te verschijnen».
L'article 24, alinéa 1 , de la loi du 20 juillet 1990, est rédigé comme suit: « Après six mois de privation de liberté si le maximum de la peine applicable ne dépasse pas quinze ans de réclusion ou après un an dans le cas contraire, l'inculpé pourra, lors de sa comparution en chambre du conseil ou en chambre des mises en accusation en application des articles 22, 25 ou 30, demander de comparaître en audience publique».