According to the Court’s settled case-law, it follows from the need for a uniform application of EU law that, where a provision thereof makes no reference to the law of the Member States with regard to a particular concept, that concept must be given an autonomous and uniform interpretation throughout the European Union which must take into account the context of the provision and the objective pursued by the legislation in question (judgments of 19 July 2012, A, C‑33/11, EU:C:2012:482, paragraph 27, and of 7 September 2017, Schottelius, C‑247/16, EU:C:2017:638, paragraph 31 and the case-law cited).
Volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist de uniforme toepassing van het Unierecht dat, wanneer een bepaling van Unierecht voor een bepaald begrip niet naar het recht van de lidstaten verwijst, dat begrip in de gehele Unie autonoom en uniform wordt uitgelegd, waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met de bewoordingen van de betrokken bepaling, maar ook met haar context en met het doel van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arresten van 19 juli 2012, A, C‑33/11, EU:C:2012:482, punt 27, en 7 september 2017, Schottelius, C‑247/16, EU:C:2017:638, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).