1996, 229 e.s., en particulier 233-234), rejoint par D.Cuypers (Overzicht van rechtspraak willekeurig ontslag en misbruik van ontslagrecht 1990-1996, Or.1997, 186 e.s., 192-193), doute que l'appréciation du caractère abusif du licenciement puisse être totalement dissociée de toute condition de faute dans le chef du travailleur et renvoie, à cet effet, à la volonté présumée du législateur.
1996, 229 e.v., inz. 233-234), hierin bijgetreden door D.Cuypers (Overzicht van rechtspraak willekeurig ontslag en misbruik van ontslagrecht 1990-1996, Or.1997, 186 e.v., 192-193), betwijfelt of de beoordeling van de willekeurigheid van het ontslag volledig los kan gekoppeld worden van enige foutvereiste in hoofde van de werkman en verwijst daartoe naar de vermeende wil van de wetgever.