La politique d'investissement autorisée, d'une part, à l'égard d'instruments financiers accessoires ou temporaires au sens de l'article 122, § 2, alinéa 3, de la loi du 4 décembre 1990, et, d'autre part, à l'égard des instruments financiers autorisés, est définie dans des articles distincts (voir articles 11 à 14).
De toegelaten beleggingspolitiek tegenover enerzijds bijkomende of tijdelijke financiële instrumenten zoals bedoeld in artikel 122, § 2, derde lid, van de wet van 4 december 1990, en anderzijds de toegelaten financiële instrumenten, wordt in afzonderlijke artikelen bepaald (zie de artikelen 11 tot 14).