Elle a argué du fait que certains avantages financiers de l’EOU devraient être considérés comme un dispositif autorisé de ristourne de droit dans les limites des annexes II et III du règlement de base et qu’ils ne devraient donc pas faire l’objet de mesures compensatoires.
Zij voerde aan dat bepaalde steun uit hoofde van EOUS beschouwd zou moeten worden als een toelaatbare regeling voor de terugbetaling van rechten in de zin van bijlagen II en III van de basisverordening en dat daarop om die reden geen compenserend recht zou moeten worden toegepast.