Om een deel van deze zwakke punten op te heffen, werd in 1996/1997 gediscussieerd over een omkering van de bewijslast: indien een land de begrotingstekortgrens van 3 % overschrijdt, moet het vermoeden van een buitensporig tekort worden onderbouwd en dit vermoeden moet slechts met de in het Verdrag voorziene meerderheidsvereiste ongedaan kunnen worden gemaakt.
Um einen Teil dieser Schwächen zu eliminieren, wurde 1996/1997 eine Beweislast-Umkehr diskutiert: für den Fall eines Überschreitens der 3%-Defizitgrenze sollte die Vermutung eines exzessiven Defizits begründet werden und diese Vermutung nur mit dem im Vertrag vorgesehenen Mehrheitserfordernis außer Kraft gesetzt werden können.