De vraag moet ook worden geherformuleerd omdat de rechter in werkelijkheid aan het Hof wil vragen of er een onderscheid bestaat tussen de indieners van een vordering tot onderzoek naar het vaderschap, in die zin dat enkel in het geval van artikel 322 laatstgenoemden geconfronteerd zouden worden met een recht van inspraak van het minderjarige kind of van zijn vertegenwoordiger, terwijl dat niet het geval zou zijn, mocht artikel 323 van het Burgerlijk Wetboek worden toegepast.
Die Frage müsse auch des
halb neu formuliert werden, weil der Richter den Hof eigentlich fragen wolle, ob es einen Unterschied gebe zwischen jenen, die eine Klage auf Untersuchung der Vaterschaft einreichen würden, in dem Sinne, d
ass nur im Fall von Artikel 322 Letztgenannte mit einem Mitspracherecht des minderjährigen Kindes ode
r seines Vertreters konfrontiert würden, während dies nicht der Fall wäre, würde Artikel 323 des Zivilges
...[+++]etzbuches angewandt werden.