Voor de belangrijkste boomsoorten worden van elke boom vijf takken (zo klein mogelijk, maar zo dat alle bladleeftijdsklassen vertegenwoordigd zijn) afgesneden uit een aan de zon blootgesteld deel van het bovenste derde van de kroon, hetzij tegelijk met de tweejaarlijkse bemonstering met het oog op de chemische analyse van de bladeren en naalden, hetzij — voor zover mogelijk — op een tijdstip dat is afgestemd op de plaatselijke fenologische verschijnselen.
Bei den wichtigsten Laubbaumarten sind von jedem Baum fünf Äste (so klein wie möglich, aber mit allen Blattaltersstufen) aus dem der Sonne ausgesetzten Teil des oberen Kronendrittels zu schneiden. Dies sollte — soweit möglich — gleichzeitig mit der zweijährlichen Blattprobenahme für die chemische Analyse der Nadeln bzw. Blätter oder entsprechend der Phänologie der lokalen Symptome erfolgen.