De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of artikel 1736 van het Burgerlijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het, in het kader van een handelshuurovereenkomst die van onbepaalde duur is geworden, een verschil in behandeling zou instellen tussen de huurder, die een opzeggingstermijn van één maand in acht moet nemen, en de verhuurder, die met toepassing van artikel 14, derde lid, van de handelshuurwet van 30 april 1951 een opzeggingstermijn van achttien maanden in acht moet nemen.
La question préjudicielle porte sur la compatibilité de l'article 1736 du Code civil avec les articles 10 et 11 de la Constitution en tant qu'il instaurerait, dans le cadre d'un bail commercial devenu d'une durée indéterminée, une différence de traitement entre le preneur, qui doit respecter un congé d'un mois, et le bailleur qui, en application de l'article 14 de la loi du 30 avril 1951 sur les baux commerciaux, doit respecter un congé de dix-huit mois.