Art. 4. In geval van afwezigheid, van verlof of van verhindering van een gedelegeerd personeelslid worden de delegaties die hem toegekend zijn, voor de duur van de afwezigheid, van het verlof of van de verhindering, of tot de aanwijzing door de hiërarchische overheid van een ander personeelslid om dit ambt te bekleden, opgedragen aan een personeelslid bekleed met ten minste een onmiddellijk lagere graad of belast met een gelijkwaardig ambt, en dat hij schriftelijk heeft aangewezen om hem te vervangen.
Art. 4. En cas d'absence, de congé ou d'empêchement d'un membre du personnel délégué, les délégations dont il est investi sont accordées, pour la durée de l'absence, du congé ou de l'empêchement, ou jusqu'à la désignation par l'autorité hiérarchique d'un autre membre du personnel pour exercer la fonction, à un membre du personnel de grade au moins immédiatement inférieur ou chargé des fonctions correspondantes, qu'il a désigné par un acte écrit pour le remplacer.