Art. 3. Voor iedere hoeveelheid van 2 000 000 uitgegeven biljetten wordt het aantal loten vastgesteld op 795 532, die als volgt worden verdeeld : er zijn 2 loten met een maandelijks uit te keren rente ten bedrage van 2.006 euro, en voorts zijn er 30 loten van 2.006 euro, 2 000 loten van 50 euro, 40 000 loten van 20 euro, 8 500 loten van 15 euro, 25 000 loten van 12 euro, 85 000 loten van 10 euro, 120 000 loten van 8 euro, 275 000 loten van 6 euro en 240 000 loten van 4 euro.
Art. 3. Par quantité de 2.000.000 de billets émis, le nombre de lots est fixé à 795 532, lesquels se répartissent en 2 lots consistant en une rente payable à concurrence de 2.006 euros par mois, 30 lots de 2.006 euros, 2 000 lots de 50 euros, 40 000 lots de 20 euros, 8 500 lots de 15 euros, 25 000 lots de 12 euros, 85 000 lots de 10 euros, 120 000 lots de 8 euros, 275 000 lots de 6 euros et 240 000 lots de 4 euros.