Hiertoe dient iedere Lid-Staat één of meer centrale autoriteiten aan te wijzen, die de bevoegdheden die in de richtlijn neergelegd zijn, uitoefenen, waarbij deze centrale autoriteiten zowel onderling als met de autoriteiten die in de Lid-Staten bevoegd zijn de zaken op te sporen en veilig te stellen, dienen samen te werken.
Ces autorités centrales sont appelées à collaborer entre elles, mais également avec les autorités des États membres chargées de rechercher les biens et de les mettre en sécurité.