5.2.2. Bij beproeving in een omheind gebied moet een locatie worden gebruikt die de dieren van de doelsoort een geschikt milieu biedt waar zij vrijelijk kunnen bewegen, zich kunnen verschuilen en de meeste normale gedragingen aan de dag kunnen leggen.
5.2.2. Pour les essais en enclos, il convient d'utiliser un enclos recréant un environnement adapté aux animaux de l'espèce cible, c'est-à-dire qui leur permette de se mouvoir et de se cacher librement, et de se comporter normalement.