Zoals het Hof van Justitie herhaaldelijk heeft opgemerkt, moet de hoedanigheid van burger van de Unie de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten zijn (zie, met name, HvJ, 20 september 2001, C-184/99, Grzelczyk, punt 31; HvJ, 17 september 2002, C-413/99, Baumbast en R, punt 82; HvJ, 2 maart 2010, C-135/08, Janko Rottmann, punt 43).
Ainsi que la Cour de justice l'a relevé à plusieurs reprises, le statut de citoyen de l'Union a vocation à être le statut fondamental des ressortissants des Etats membres (voir, notamment, CJCE, 20 septembre 2001, C-184/99, Grzelczyk, point 31; 17 septembre 2002, C-413/99, Baumbast et R, point 82; CJUE, 2 mars 2010, C-135/08, Janko Rottmann, point 43).