In een arrest van 9 maart 1999 oordeelde het hof dat indien de onontvankelijkheid van de voorziening enkel gestoeld is op de omstandigheid dat de eiser zich niet als gevangene is komen aanmelden ter uitvoering van een rechterlijke beslissing die het voorwerp van de voorziening uitmaakt, aan de betrokkene een last wordt opgelegd die onevenredig zijn recht tot toegang tot de bevoegde rechter beperkt en bijgevolg strijdig is met artikel 6.1 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens.
Dans un arrêt du 9 mars 1999, la cour a jugé que si l'irrecevabilité d'un pourvoi est fondée seulement sur la circonstance que le demandeur ne s'est pas constitué prisonnier pour l'exécution d'une décision judiciaire qui constitue l'objet du pourvoi, la loi impose à l'intéressé une obligation qui limite de façon disproportionnée son droit à l'accès au juge compétent et viole par conséquent l'article 6.1 de la Convention européenne des droits de l'homme.