Voor het overige dient, ten aanzien van de vereiste van een voorafgaande machtiging van de vrederechter voor de beschikkingen bij testament van de onder het stelsel van het voorlopig bewind geplaatste personen, geen onderscheid te worden gemaakt naargelang de beschermde persoon gedeeltelijk of geheel niet in staat zou zijn zijn goederen te beheren, daar de voorafgaande machtiging van de rechter precies tot doel heeft na te gaan en vast te stellen of de beschermde persoon in staat is bij testament over zijn goederen te beschikken.
Pour le surplus, il n'y a pas lieu de distinguer, en ce qui concerne l'exigence d'une autorisation préalable du juge de paix pour les dispositions testamentaires des personnes placées sous le régime de l'administration provisoire, selon que la personne protégée serait partiellement ou totalement incapable de gérer ses biens, dès lors que l'autorisation préalable du juge a précisément pour objet de vérifier et d'établir si la personne protégée est apte à disposer de ses biens par testament.