« De werknemer bedoeld in artikel 51, § 1, tweede lid, 7°, van het koninklijk besluit, die van oordeel is dat hij lichamelijk of mentaa
l niet of niet meer geschikt is om mee te werken aan of om in te gaan op een aanbod tot outplacementbegeleiding, bedoeld in artikel 51, § 1, negende lid, van het ko
ninklijk besluit en daartoe een arbeidsongeschiktheid inroept bedoeld in artikel 60 van het koninklijk besluit, moet dit uiterli
jk verklaren op het ogenblik dat hij w ...[+++]eigert mee te werken aan of om in te gaan op een aanbod tot outplacementbegeleiding».
« Le travailleur visé à l'article 51, § 1, alinéa 2, 7°, qui ne s'estime pas ou plus être physiquement ou mentalement apte à collaborer ou à accepter une proposition d'outplacement tel que visé à l'article 51, § 1, alinéa 9, de l'arrêté royal et qui pour cela invoque une inaptitude au travail telle que visée à l'article 60 de l'arrêté royal, doit le déclarer ou l'accepter au plus tard au moment du refus de collaborer ou d'accepter une proposition d'outplacement».