Wat de
tweede prejudiciële vraag betreft, wordt het argument afgeleid uit artikel 134 van de Grondwet - en uit de beperkingen die de be
weerde keuze van de Grondwetgever zou opleggen aan de toetsing die te dezen door het Hof zou kunnen worden uitgevoerd - betwist; de aan de bijzondere wetgever verleende machtiging om de rechtskracht van de decreten en ordonnanties vast te stellen, enerzijds, impliceert dat de Grondwetgever het niet zelf heeft gedaan en, anderzijds, heeft niet tot gevolg dat die bijzondere wetgever ervan wordt vrijgest
...[+++]eld de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in acht te nemen.
En ce qui concerne le seconde question préjudicielle, l'argument tiré de l'article 134 de la Constitution - et des limites que le prétendu choix opéré par le Constituant imposerait au contrôle pouvant être opéré, en l'espèce, par la Cour - est contesté; l'habilitation donnée au législateur spécial de déterminer la force juridique des décrets et ordonnances, d'une part, implique qu'il ne l'a pas fait lui-même et, d'autre part, n'a pas pour effet de dispenser ce législateur spécial de respecter les articles 10 et 11 de la Constitution.