Dit kaderbesluit heeft aan de lidstaten de verplichting opgelegd om de maatregelen te nemen die nodig zijn om gehele of gedeeltelijke confiscatie mogelijk te maken van hulpmiddelen en opbrengsten die verkregen zijn uit feiten waarop een vrijheidsstraf is gesteld, of van voorwerpen waarvan de waarde overeenkomt met die van de opbrengsten (artikelen 2, lid 1, en 3).
Cette décision-cadre a imposé aux États membres de prendre les mesures nécessaires pour permettre la confiscation de tout ou partie des instruments et des produits d'infractions pénales passibles d'une peine privative de liberté, ou de biens dont la valeur correspond à ces produits (articles 2, paragraphe 1, et 3).