5. Bij het voederen en drenken van de dieren op de halteplaats moet zo te werk worden gegaan dat ieder ondergebracht dier ten minste beschikt over voldoende zuiver water en het nodige voeder om voor het verblijf op de halteplaats en de verwachte duur van de verdere reis tot de volgende voederplaats in zijn lichamelijke behoeften te voorzien.
5. L'alimentation et l'abreuvement des animaux doivent se faire de façon à garantir que chaque animal hébergé au point d'arrêt puisse au moins disposer d'une quantité d'eau propre et d'aliments appropriés suffisante pour satisfaire ses besoins corporels pendant son séjour et pendant la durée prévue de son voyage jusqu'au prochain poste où il sera alimenté.