Het EHRM heeft geoordeeld dat zelfs indien dwingende redenen in uitzonderlijke gevallen het weigeren van toegang tot een advocaat kunnen rechtvaardigen, een dergelijke beperking — ongeacht de rechtvaardiging ervan — niet onnodig afbreuk mag doen aan de rechten van de beklaagde uit hoofde van artikel 6 EVRM en dat deze rechten in beginsel onherstelbaar zijn geschonden als incriminerende verklaringen die tijdens een politieverhoor bij afwezigheid van een advocaat zijn gedaan, worden gebruikt voor een veroordeling[29].
La Cour européenne des droits de l'homme a déclaré que, même lorsque des raisons impérieuses peuvent exceptionnellement justifier le refus de l'accès à un avocat, pareille restriction – quelle que soit sa justification – ne doit pas indûment préjudicier aux droits découlant pour l'accusé de l'article 6 de la CEDH, et il est en principe porté une atteinte irrémédiable aux droits de la défense lorsque des déclarations incriminantes faites lors d'un interrogatoire de police subi sans assistance possible d'un avocat sont utilisées pour fonder une condamnation[29].