Deze kwalificatie werd inzonderheid weerhouden door de wetgever, die zich duid
elijk over de vraag heeft uitgesproken tijdens de parlementaire werkzaamheden met betrekking tot de wet van 23 juni 1975 tot wijziging van
het Wetboek van de inkomstenbelastingen op het stuk van de niet als bedrijfslast aangemerkte financiële lasten en die verduidelijken dat de in het artikel 50, 1° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (het huidige artikel 56, § 2, 1° WIB 1992) opgenomen uitzond
ering de interesten ...[+++]beoogt die worden verleend «ingevolge openbaar uitgegeven obligaties en andere soortgelijke effecten van leningen met inbegrip, onder meer, van de vastgoedcertificaten uitgegeven ter vertegenwoordiging van fondsen overgemaakt aan een vennootschap op aandelen en door deze laatste belegd in onroerende plaatsingen waarvan ze de opbrengst verdeelt onder de houders van de certificaten» (zie Kamer, 1974-1975, Parl. St. nr. 496, nr. 2, blz. 2).Cette qualification a notamment été retenue par le législateur, qui s'est clairement prononcé sur la question dans le cadre des travaux parlementaires relatifs à la loi du 23 juin 1975 modifiant
le Code des impôts sur les revenus en matière de charges financières qui ne sont pas considérées comme charges professionnelles, lesquels précisent que l'exception contenue à l'article 50, 1° du Code des impôts sur les revenus (l'actuel article 56, § 2, 1° CIR 1992) vise les intérêts alloués «en raison des obligations ou d'autres titres constitutifs d'emprunts, émis publiquement, y compris notamment les certificats fonciers représentatifs de fond
...[+++]s remis à une société par actions et investis par celle-ci dans des placements immobiliers dont elle répartit le produit entre les détenteurs des certificats» (voir Chambre, 1974-1975, Doc. parl. n° 496, n° 2, p. 2).