Volgens het tweede onderdeel van het middel schendt de bestreden bepaling artikel 24, § 3, van de Grondwet, de artikelen 5, e), v), en 7 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, artikel 10, a), b) en c), van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en artikel 2 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, doordat zij de eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden en het verbod van discriminatie onvoldoende zou waarborgen.
Selon la deuxième branche du moyen, la disposition entreprise viole l'article 24, § 3, de la Constitution, les articles 5, e), v), et 7 de la Convention internationale sur l'élimination de toutes les formes de discrimination raciale, l'article 10, a), b) et c), de la Convention sur l'élimination de toutes les formes de discrimination à l'égard des femmes ainsi que l'article 2 de la Convention relative aux droits de l'enfant, en ce qu'elle garantirait insuffisamment le respect des libertés et droits fondamentaux et le principe de non-discrimination.