Hij oordeelde immers dat het « verkieslijk is de schuldeisers te machtigen om hun rechten te doen gelden in de loop van het homologatiegeding veeleer dan hun toe te staan om tijdens de verjaringstermijn van dertig jaar gesteld in artikel 1128 van het Gerechtelijk Wetboek, de gewezen beslissing te bestrijden » (verslag Hambye, Stuk Senaat, 1975-1976, nr. 683/2, blz. 25).
Celui-ci a en effet jugé « préférable d'autoriser les créanciers à faire valoir leurs droits au cours de l'instance d'homologation plutôt que de leur permettre, pendant le délai de prescription de trente ans de l'article 1128 du Code judiciaire, de remettre en cause la décision intervenue » (rapport Hambye, do c. Sénat, 1975-1976, nº 683/2, p. 25).