De artikelen 33 tot 39 van het hogervermeld koninklijk besluit van 22 februari 1998 hebben dus duidelijk het gebruik van de sociale identiteitskaart door de fiscale administraties en door de personen die ertoe gehouden zijn aangiftes te doen aan deze administraties beperkt tot het enig doel van de vaststelling van de juiste identiteit van de natuurlijke persoon die zijn kaart moet voorleggen.
Les articles 33 à 39 de l'arrêté royal du 22 février 1998 précité ont donc clairement limité l'utilisation de la carte d'identité sociale par les administrations fiscales et par les personnes tenues de faire des déclarations à ces administrations, à la seule fin d'identification certaine de la personne physique tenue de présenter sa carte.