Met de tweede prejudiciële vragen die in de vier samengevoegde zaken zijn gesteld, wordt het Hof verzocht de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet te onderzoeken in zoverre zij de bloedverwant in de opgaande lijn van een meerderjarige Belg of van diens echtgenoot niet langer gelijkstelt met de bloedverwant in de opgaande lijn van een niet-Belgische Europese burger of met diens ec
htgenoot die in het Koninkrijk verblijft, hetgeen tot gevolg heeft dat de eerstgenoemde, in tegenstelling tot de laatstgenoemde, geen verblijfsrecht meer kan op
...[+++]eisen op grond van de artikelen 40bis en 41 en volgende van de wet van 15 december 1980.
Par les secondes questions préjudicielles posées dans les quatre affaires jointes, la Cour est invitée à examiner la compatibilité de la disposition en cause avec les articles 10, 11 et 22 de la Constitution en ce qu'elle n'assimile plus l'ascendant d'un Belge majeur ou du conjoint de celui-ci à l'ascendant d'un citoyen européen non belge ou au conjoint de celui-ci séjournant dans le Royaume, ce qui a pour conséquence que le premier, au contraire du second, ne peut plus revendiquer un droit de séjour sur la base des articles 40bis et 41 et suivants de la loi du 15 décembre 1980.