De in artikel 135, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 gestelde voorwaarde dat het kind voor ten minste 66 pct. moet zijn getroffen door ontoereikende of verminderde lichamelijke of geestelijke geschiktheid wegens één of meer aandoeningen is destijds overgenomen uit de kinderbijslagwetgeving, waar ze gebruikt werd als criterium om vast te stellen of een kind recht geeft op de bijkomende bijslag voor gehandicapte kinderen.
La condition prévue à l'article 135, alinéa 1er, 2°, du Code des impôts sur les revenus 1992 selon laquelle l'enfant doit être atteint à 66 % au moins d'une insuffisance ou d'une diminution de capacité physique ou psychique du chef d'une ou de plusieurs affections, a été empruntée, à l'époque, à la législation relative aux allocations familiales qui l'utilisait comme critère pour apprécier si un enfant donne droit à l'allocation supplémentaire pour enfants handicapés.