In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof ondervraagd over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, van artikel 161 van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre het het huwelijk tussen alle bloedverwanten in de opgaande en nederdalende rechte lijn en de aanverwanten in dezelfde lijn verbiedt, terwijl artikel 162 van het Burgerlijk Wetboek het huwelijk in de zijlijn alleen tussen broer en zus verbiedt.
La deuxième question préjudicielle interroge la Cour sur la compatibilité avec les articles 10 et 11 de la Constitution, combinés avec l'article 12 de la Convention européenne des droits de l'homme, de l'article 161 du Code civil en ce qu'il prohibe le mariage en ligne directe entre tous les ascendants et descendants et les alliés dans la même ligne, alors que l'article 162 du Code civil ne prohibe le mariage en ligne collatérale qu'entre le frère et la soeur.