Volgens de burgerlijke partijen (P. Hurez en F. Minot) voor de v
erwijzende rechter, vloeit de onmogelijkheid voor de Koning, krachtens artikel 80, § 1, derde lid, van de wet van
9 juli 1975, om de schadeloosstelling door het Waarborgfonds ui
t te breiden tot de materiële schade in het geval van de niet-identificatie van het voertuig niet uit budgettaire overwegingen voort maar uit de zorg om fraude en heimelijke verstandhouding te v
...[+++]oorkomen, die vaak kunnen voorkomen in het voormelde geval.
Selon les parties civiles (P. Hurez et F. Minot) devant le juge a quo, l'impossibilité pour le Roi, en vertu de l'article 80, § 1, alinéa 3, de la loi du 9 juillet 1975, d'étendre l'indemnisation par le Fonds de garantie au dommage matériel dans l'hypothèse de la non-identification du véhicule résulte non de considérations budgétaires mais du souci de prévenir la fraude et la collusion, potentiellement fréquentes dans l'hypothèse précitée.