Indien de student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij een leefeenheid bestaande uit één ouder van wie zijn afstamming vaststaat en één of meerdere niet-verwanten waarvan hij niet fiscaal ten laste is, wordt uitgegaan van het referentie-inkomen van de ouder, waarbij de toepasselijke maximum- en minimum inkomensgrens binnen de leefeenheid, bepaald in artikel 14, met één punt wordt verminderd, tenzij de niet-verwanten niet beschikken over financiële middelen zoals bedoeld in artikel 25, 1°, 2°, 3°, 4° en 8°, van het decreet.
Si l'étudiant a sa résidence principale dans une unité de vie composée d'un parent dont la filiation est établie et une ou plusieurs personnes non apparentées de qui l'étudiant n'est pas fiscalement à charge, le revenu de référence du parent sert de base, et les revenus minimum et maximum applicables dans l'unité de vie, fixés à l'article 14, sont diminués d'un point, à moins que les personnes non apparentées ne disposent pas de moyens financiers tels que visés à l'article 25, 1°, 2°, 3°, 4° et 8°, du décret.