Het betreft hier een onbeperkte (ten aanzien van alle mogelijke misdrijven) doch relatieve (want ophefbare) machtigingsimmuniteit (6) ten aanzien van misdrijven gepleegd buiten de uitoefening van hun parlementaire functie, dit in tegenstelling tot de immuniteit van parlementsleden voor misdrijven die binnen de uitoefening van de parlementaire functie worden gepleegd (art. 58 van het Gerechtelijk Wetboek) (bijvoorbeeld smaad en eerroof tijdens de debatten) waarvoor een beperkt doch absolute (niet-ophefbare) immuniteit bestaat.
Il s'agit en l'espèce d'une immunité (6) illimitée (elle vise toutes les infractions possibles), mais relative (car pouvant être levée) pour les infractions commises en dehors de l'exercice des fonctions parlementaires, et ce, contrairement à l'immunité conférée aux parlementaires pour les infractions commises dans l'exercice des fonctions parlementaires (art. 58 de la Constitution) (par exemple, l'outrage et la diffamation au cours des débats), qui a un caractère limité mais absolu (elle ne peut être levée).