Door stemrecht te verlenen aan een magistraat van het Rekenhof die wordt aangewezen door de eerste voorzitter van dat Hof, en aan een specialist in het beheer van human resources die wordt aangewezen door de minister van Justitie op voorstel van de minister van Ambtenarenzaken, laat artikel 259undecies, § 3, vijfde, twaalfde, dertiende en vijftiende l
id, evenwel toe dat overheden die niet behoren tot de rechterlijke macht zich in de rechterlijke macht mengen, terwijl de Grondwetgever, bij de aanneming van artikel 151 van de Grondwet, heeft aangegeven dat de evaluatie diende « te geschieden met inachtneming van de onafh
ankelijkhe ...[+++]id van de rechtsprekende functie » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1675/4, p. 9) en dat de evaluatie moest « worden gelezen als een door gelijken uitgevoerde evaluatie in het kader van de organisatie van het justitiële bestel » (ibid., pp. 51-52; in dezelfde zin, Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-1121/3, p. 6).Toutefois, en conférant une voix délibérative à un magistrat de la Cour des comptes désigné par le premier président de celle-ci et à un spécialiste en gestion des ressources humaines désigné par le Ministre de la Justice sur proposition du ministre de la Fonction publique, l'article 259undecies, § 3, alinéas 5, 12, 13 et 15, permet que s'immiscent dans le pouvoir judiciaire des autorités qui lui sont étrangères, alors que le Constituant a indiqué, lors de l'adoption de l'article 151 de la Constitution, que l'évaluation devait « se faire dans le total respect de l'indépendance d
e la fonction de juger » (Doc. parl., Chambre, 1997-1998, n°
...[+++] 1675/4, p. 9) et que l'évaluation devait « [être interprétée] comme étant une évaluation effectuée par les pairs, dans le cadre de l'organisation judiciaire » (ibid., pp. 51-52; dans le même sens, Doc. parl., Sénat, 1998-1999, n° 1-1121/3, p. 6).